Vergrijzing, de harde cijfers

Er wordt veel gesproken over de vergrijzing die eraan komt. Recent onderzoek toont aan dat vooral in het onderwijs en bij de overheid de vergrijzing het hoogst is. De gemiddelde beroepsbevolking in Nederland is 39,8 jaar, terwijl bij de overheid de gemiddelde werknemer 42,1 jaar oud is en in het onderwijs zelfs 43,4. Maar hoe zit het nu met die vergrijzing? Hoeveel mensen hebben we het nu over die met pensioen gaan de komende jaren? Ik ben de CBS databanken eens ingedoken en aan het cijferen geslagen.Voor ik begin met de harde cijfers een aantal kanttekeningen. Het is allemaal niet op de persoon nauwkeurig natuurlijk. De laatste cijfers m.b.t. werkende ouderen zijn uit 2005, dus inmiddels zo’n 3 jaar oud. Toch ben ik hier van uit gegaan omdat dit ook mooi uitkomt qua leeftijden. Immers waren de 55 tot 60 jarigen uit 2005 precies de mensen die in 1945-1950 geboden zijn en daarmee dus de eerste lading babyboomers.

De cijfers over de jongere beroepsbevolking komen echter uit 2007, al weer een jaar oud maar wederom de meest recente cijfers. Het is dus allemaal niet 100% sluitend, maar het geeft wel een mooi beeld.

De totale bevolking geboden in 1945-1950 en nu (in 2005) nog in leven is 1.134.400 mensen groot. Hiervan zijn nog 775.700 mensen niet (gedeeltelijk) met pensioen, deze groep neem ik even als ‘werkende beroepsbevolking’. De rest heeft geheel of gedeeltelijk pensioen (waarbij het inderdaad mogelijk is dat ze nog gedeeltelijk werken) of behoort niet tot de beroepsbevolking (geen werk, uitkering of pensioen). Deze groep laat ik even geheel buiten beschouwing, omdat er ook geen zicht is op hoeveel mensen straks nog deels blijven werken na hun pensioen.

In totaal verlaten dus tussen 2010 en 2015 meer dan 775.000 mensen de arbeidsmarkt (even de assumptie maken dat alle maatregelen die de overheid neemt tegen vroegpensioenen ook effect hebben). Dat is ruim 10% van de totale arbeidsmarktpopulatie (die momenteel zo’n 7,7 miljoen mensen groot is).

Maar gelukkig is er nog zoiets als instroom. Hiervoor gebruik ik uit de CBS database van 2007 de beroepsbevolking van 15 tot 25 en 25 tot 35 jarige. Dit omdat je niet zeker weet wanneer iemand echt op de arbeidsmarkt komt.

In 2007 is gemiddeld zo’n 42,4% van de 15 tot 25 jarige al deel van de beroepsbevolking. Van de 25 – 35 jarige is dit gemiddeld 85,3%. Ik maak hier de assumptie dat deze cijfers ook de komende jaren gelijk blijven en dat er dus een gemiddelde toename zal zijn van de beroepsbevolking van 42,9% van deze huidige groep 15-25 jarigen en dat dit gelijk verdeeld is over alle 5 de jaren (we brengen immers een groep van 10 jaar terug naar 5 jaar).

Op basis van deze cijfers komen er tussen 2010-2015 ruim 420.000 jongeren op de arbeidsmarkt die er nu nog niet zijn.

De uitstroom min de instroom geeft dus een krimp van ruim 355.000 werknemers, oftewel 4,62% van de huidige arbeidsmarktpopulatie.

We vangen dus iets meer dan de helft van de uitstroom op met nieuwe instroom, maar nog steeds zal de beroepsbevolking 4,62% krimpen in de periode van 2010-2015 als de eerste groep babyboomers de arbeidsmarkt verlaat, tenzij we dit opvangen met migratie.

Met een huidige werkeloosheidspercentage van 4% is het dus onmogelijk de vergrijzing op te vangen door meer mensen die nu al willen werken te laten werken. Overigens zal het werkloosheidspercentage sterk dalen, aangezien een groot deel hiervan zijn of haar pensioen krijgt. Op basis van de CBS cijfers van 2005 zitten er bijna 170.000 werkelozen in de groep geboden tussen 1945 en 1950. Dat is dus meer dan de helft van de gemiddeld 300.000 werkelozen die het CBS registreert. Hierbij moet natuurlijk wel de kanttekening gemaakt worden dat de werkeloosheid in 2005 een stukje hoger lag, maar als de verhalen over ouderen die niet aan het werk komen waar zijn (en ik heb nog nooit bewijs gezien dat dit niet zo is) lijkt het niet waarschijnlijk dat deze 170.000 oudere werkelozen massaal een baan hebben gevonden de laatste 2,5 jaar.

reageer

Print

7 reacties | 2908 views