Nederlandse beroepsbevolking krimpt voorlopig niet

De kwantitatieve ontwikkeling van de Nederlandse beroepsbevolking, met speciale aandacht voor de periode 2013 – 2024Het is weer eens tijd voor een stukje onbeschaamde zelfpromotie, dit keer in de vorm van een rapport dat ik in samenwerking met Han Mesters (sectorbankier Zakelijke dienstverlening ABN AMRO) voor ABN AMRO heb geschreven onder de uiterst spannende titel De kwantitatieve ontwikkeling van de Nederlandse beroepsbevolking, met speciale aandacht voor de periode 2013 – 2024.

Is er nog iemand wakker? Mooi, want afgezien van de titel is het onderwerp natuurlijk wel bijzonder interessant. Hoe ontwikkelt zich onze beroepsbevolking in de komende jaren en in hoeverre moeten we ons zorgen maken voor een alomvattende War for Talent? En om er maar meteen een spoiler alert in te gooien, die zorg is ongegrond. Onze beroepsbevolking zal onder twee van de drie geformuleerde scenario’s in de komende jaren blijven groeien.

In grafiekvorm ziet dat er als volgt uit:

Ontwikkeling beroepsbevolking volgens drie scenario's, 2012 - 2023

Voor de goede orde, dit zijn de drie scenario’s:

  1. Pessimistisch scenario. Een voortzetting van de neerwaartse trend van de bruto arbeidsparticipatie in de leeftijd van 15 tot 25 jaar (gedurende tien jaar) èn een onveranderde voortzetting van de bruto arbeidsparticipatie voor alle oudere leeftijdsgroepen. De combinatie van de dalende bruto arbeidsparticipatie onder jongeren en een stagnerende groei onder ouderen leidt tot een veel grotere krimp van de beroepsbevolking dan in de andere twee scenario’s.
  2. Neutraal scenario. Een verdere ontwikkeling van de bruto arbeidsparticipatie per leeftijdsgroep; afgeleid van de ontwikkeling van de arbeidsparticipatie over de afgelopen 10 jaar.
  3. Optimistisch scenario. Een verdere ontwikkeling van de bruto arbeidsparticipatie per leeftijdsgroep. Deze is afgeleid van de arbeidsparticipatie in de afgelopen tien jaar en een groeiende arbeidsparticipatie van 65- tot 68 jarigen.

En als we dan even het neutrale scenario’s als vertrekpunt nemen dan betekent het dat de totale omvang van de Nederlandse beroepsbevolking in aantallen personen tot en met 2023 boven het huidige niveau blijft ‘hangen’. Geen structurele krapte dus, tenzij we plotsklaps worden geconfronteerd met een explosieve economische groei. Maar dat lijkt voorlopig een weinig realistische verwachting.

Een en ander laat onverlet dat binnen bepaalde beroepsgroepen wel structurele krapte bestaat, maar dat heeft vooral met een mismatch tussen vraag (groot) en aanbod (klein) te maken en nauwelijks iets met de omvang van de beroepsbevolking in haar totaliteit. Toen ik in de tweede helft van de jaren tachtig begon met werken was er een schreeuwend tekort aan IT’ers. Vijfentwintig jaar later is er niets aan die situatie veranderd. Oorzaak? Een structureel tekort aan beta’s. What’s new?

De massamedia besteden weer op intelligente wijze aandacht aan dit rapport met schreeuwerige titels als ‘Tot 2024 blijft het knokken om baan’ (Volkskrant) en ‘Nog tien jaar ellebogen om banen’ (De Telegraaf). Maar die titels slaan helemaal nergens op. In hoeverre er een (selectief) overschot aan arbeid op de Nederlandse arbeidsmarkt blijft bestaan is van factoren afhankelijk die helemaal geen onderwerp zijn van dit rapport.

Hoe dan ook, als er intermediairs zijn die de War for Talent noodklok luiden dan zijn ze, net als Peter Hulsbos van Yacht, uitsluitend bezig met angstaanjagen voor eigen gewin. Niet met het geven van objectieve informatie om hun klanten en prospects beter voor te bereiden op de toekomst. Die toekomst wordt namelijk lang niet zo heet gegeten als deze wordt opgediend.

12 thoughts on "Nederlandse beroepsbevolking krimpt voorlopig niet"

  1. Je zelfpromotie is je vergeven, maar wel een kleine toevoeging: dat de vraag naar ICT’ers in de jaren tachtig groot was en nu ook, betekent niet dat de vraag in de tussenliggende jaren altijd groot is geweest (overigens maakten veel alfa’s en gamma’s in die tijd de overstap naar ‘de ICT’ – ik was er zelf één). De vraag naar ICT’ers heeft in de afgelopen dertig jaar flink gefluctueerd en het ging ook niet telkens om ‘dezelfde’ ICT’er. Een COBOL-programmeur kwam begin deze eeuw amper aan de bak, de vraag naar developers liep pas uit de hand toen de smartphones doorbraken. ‘De ICT’er’ bestaat niet en het is ook geen dokter, leerkracht of andere beroepsgroep die de maatschappij altijd wel in ongeveer dezelfde vorm nodig zal hebben en waarbij de vraag (evenals het aanbod) min of meer is te ‘sturen’ (met beperkt effect, dat moge duidelijk zijn). 
    Ik denk dat het wel degelijk knokken wordt om banen, dus zo gek is de beeldspraak van de Volkskrant niet. Niet overal, maar wel op veel plaatsen – met name als het gaat om uitvoerend werk op MBO-niveau. Vorig jaar veegde ik een aantal voorspellingen op een hoop en concludeerde: De War for Talent is straks eerder een ‘War for Work’. Inmiddels zou ik zeggen: een ‘War for Jobs’. Een akelig vooruitzicht voor een groot deel van de beroepsbevolking, tenzij de onvoorspelbaarheid van economie & arbeidsmarkt ons hier op miraculeuze wijze uit gaat redden. 

    1. De persoonlijke observatie ten aanzien van IT’ers is vooral bedoeld als illustratie dat selectieve schaarste van alle tijden is. En in de afgelopen decennia is de omvang van die schaarste weliswaar aan fluctuaties onderhevig geweest maar de schaarste was structureel.
       
      Dat knokken om banen zou me niets verbazen, maar het kan op geen enkele manier afgeleid worden uit het rapport. En het vereist ook een aanzienlijk grotere glazen bol dan degene die is gebruikt bij deze poging om de toekomst te modelleren. Ik verwacht inderdaad wel dat we naar een akelige tweedeling gaan waarbij de War for Talent en de War for Work steeds pregnanter naast elkaar gaan bestaan, met een onaangename tweedeling in de maatschappij tot gevolg. Gelukkig hebben we de Participatiewet….

      1. Klopt, selectieve schaarste is van alle tijden, maar vaak is zo moeilijk voorspelbaar – zeker in hypergespecialiseerde en snel veranderende tijden als deze – waar het zich precies zal voordoen. Het onderwijs loopt per definitie achter de ontwikkelingen aan en voorzichtigheid is troef uit angst voor een ‘varkenscyclus’ met als resultaat juist trieste overschotten. Zelf was ik in 1986 met al m’n lesbevoegdheden zo’n triest overschot en nu zie je het bijvoorbeeld bij communicatiemanagers en zorgmedewerkers (de eerste wegens gebrek aan een natuurlijke rem en de tweede als gevolg van een grof bezuinigende overheid). 
         
        En ik ben bang dat ik je observatie in de tweede alinea deel. Ik wou dat het anders was.

  2. Mooi werk en inzichten Marc, zal er dankbaar gebruik van maken! Aansluitend op de discussie met Annemarie, vroeg ik mij af of jullie ook nader naar de cijfers voor beroepsgroepen hebben gekeken? Zoals bijvoorbeeld het ROA dat doet. Al kan ik mij voorstellen dat het op hele lange termijn erg koffiedik kijken is.

    1. Er komt nog een tweede rapport aan, waar ook naar opleidingsniveau gekeken wordt. Daarbij is het nog de vraag of beroepsgroepen hieraan kunnen worden toegevoegd. De data is daar niet erg uitbundig…

  3. Mijn glazen bol zegt: we hebben – structureel – steeds minder mensen nodig om het geld te verdienen voor iedereen. Is dat nu een probleem of een zegen?
    Werkloosheid wordt een constante factor, voor steeds meer mensen. Dat ligt niet aan die mensen, dat ligt aan de automatisering en de economische wetten. We moeten af van het idee dat werkloosheid een probleem is en dus ook af van het stigmatiseren van werklozen. We moeten toe naar een nieuwe maatschappelijke orde waarin werklozen zich net zo nuttig voelen als mensen met een baan. Hoe we dat voor elkaar moeten krijgen, is het grote issue van de komende tijd. 
    Misschien moeten de banen t.z.t. wel verplicht rouleren: na 2 jaar werken ga je er verplicht een jaar uit, zonder al te veel financiële consequenties (we verdienen immers genoeg voor de hele groep). Na dat jaar kun je gegarandeerd weer aan de slag.
    Volgens de oude ideeën staan werklozen buitenspel; in de toekomst zien we die groep wellicht als uitverkorenen.
    Dan is werken het probleem en niet de werkloosheid.

    1. Ik denk dat je volledig gelijk hebt ten aanzien van een groeiend aantal ‘werklozen’. Het woord in dat verband zelfs al verkeerd en stigmatiserend, dus daar valt ook nog wat ‘werk’ te doen. Maar hoe we deze nieuwe realiteit vorm moeten gaan geven is mij nog niet duidelijk. Het zal pas na veel pijn en experimenteren iets fatsoenlijks opleveren, ben ik bang…

      1. Er bestaat een oude oplossing voor. Ooit bestond het ‘socialistische’ idee van het basisinkomen; iedereen krijgt van de overheid genoeg om van te kunnen leven, zeg één tot anderhalf keer het minimumloon, afhankelijk van de situatie. Via werk, klussen of een baan kun je het basisinkomen ‘aanvullen’ (werkgevers betalen salaris minus basisinkomen, ZZP’ers dragen het naar rato af als extra belasting, wie niet bijverdient doet wat terug als een soort maatschappelijke dienstplicht etc.). Zo is er geen enorme inkomensongelijkheid (goed voor de consumptie) en gaat meteen het stigma van ‘uitkeringstrekker’ er af, want iedereen is dan een uitkeringstrekker. 

Comments are closed.