Krapte op de arbeidsmarkt. Wanneer dan?

GrafiekNaar aanleiding van de naderende exodus van oudere babyboomers struikelen allerlei belanghebbenden over elkaar heen om te waarschuwen voor het naderende onheil; de extreme krapte op onze arbeidsmarkt. Niemand kan ontkennen dat onze arbeidsmarkt een uitstroom te wachten staat, maar hoeveel nou precies, en wanneer dan wel?

Ik heb me eens verdiept in de cijfers over de krimp van de Nederlandse beroepsbevolking; waarbij ik me heb beperkt tot de periode tot 2020. Natuurlijk zijn er allerhande diep strategische bespiegelingen te maken over een aanzienlijk langere periode; maar 10 jaar lijkt me al een behoorlijk lange tijd. Tenslotte heeft het gemiddelde bedrijf een planningshorizon die aanzienlijk korter is…

De voorbereidingen
Het spijt me zeer, maar voordat ik aan de interessante informatie toekom moet ik eerst wat basisgegevens en cijferwerk de revue laten passeren. Het kan slaapverwekkend overkomen, maar het is van belang omdat hiermee de methode die ik heb gehanteerd duidelijk wordt en inhoudelijk ter discussie kan worden gesteld. En het is natuurlijk herhaalbaar geworden voor eenieder die hier interesse in heeft (zijn er meer gekken zoals ik?)

Om tot de ontwikkeling van de beroepsbevolking tussen 2010 en 2020 te komen baseer ik me op een aantal cijfers van het CBS:

  • Prognose bevolking naar leeftijd (en geslacht), 2009 – 2050
  • Netto arbeidsparticipatie per leeftijdsgroep in 2009

De Prognose bevolking naar leeftijd is een bijzonder gedetailleerde tabel van het CBS waarin onder meer per leeftijd (van 0 jaar t/m 99 jaar en ouder) een schatting is gegeven van het aantal Nederlanders in 2010, 2020, 2030, etc. Jaargang 2010 heb ik voor de jaren 2011 – 2019 lineair geextrapoleerd, waarbij ik vervolgens een correctie heb toegepast op basis van de aantallen volgens jaargang 2020. Die correctie is eveneens lineair doorgewerkt van 2011 t/m 2019.

Vervolgens heb ik voor dat deel van de jaargangen 2010 – 2020 die deel uitmaken de beroepsbevolking (de leeftijdsgroep van 15 t/m 64 jaar) op basis van de Netto arbeidsparticipatie per leeftijdsgroep de ‘werkelijke’ beroepsbevolking uitgerekend. Ik ben er daarbij dus vanuit gegaan dat de participatiegraad in de periode 2010 – 2020 zich niet wijzigt. Mogelijk niet geheel terecht aangezien de participatiegraad in de achterliggende 10 jaar toch redelijk is gestegen:

Eurostat: Participatiegraad in Nederland, 1999 – 2009

Eurostat: Participatiegraad in Nederland, 1999 – 2009

Omdat Nederland al een zeer hoge participatiegraad kent, heb ik voor de periode 2010 – 2002 aangenomen dat de participatiegraad zich niet wijzigt. Bij een hernieuwde economische groei is het overigens niet denkbeeldig dat de participatiegraad verder kan toenemen.

De ontwikkeling van de beroepsbevolking
Met al dat cijferwerk achter de rug kan ik nu eindelijk de omvang en de opbouw van de beroepsbevolking voor de periode van 2010 – 2020 berekenen. En dat ziet er zo uit:

Ontwikkeling beroepsbevolking per leeftijdsgroep, 2010 – 2020

Ontwikkeling beroepsbevolking per leeftijdsgroep, 2010 – 2020

Leuk al die kleurtjes, maar dit is toch wat minder informatief dan ik had gedacht. Het is ook beter om de verandering van de beroepsbevolking ten opzichte van 2010 procentueel uit te zetten. Als je dat doet wordt het beeld ineens een stuk duidelijker:

Procentuele ontwikkeling beroepsbevolking (2010 = 0%) per leeftijdscategorie, 2010 – 2020

Procentuele ontwikkeling beroepsbevolking (2010 = 0%) per leeftijdscategorie, 2010 – 2020

Tenminste, ik vind het een stuk duidelijker worden. In de komende 10 jaar krimpt de Nederlandse beroepsbevolking met bijna 3%; van 7,5 miljoen naar 7,3 miljoen; een verlies van ongeveer 220.000 arbeidskrachten. Dat klinkt als een relatief beperkte afname.

Het onderliggende beeld is echter een stuk complexer; zoals blijkt uit de ontwikkeling van de beroepsbevolking per leeftijdssegment. Waarbij met name de zeer sterke krimp in het segment van 35 – 45 jaar opvalt. Hier vinden de grootste klappen plaats omdat de doorstroming richting 45 – 55 jaar bij lange na niet wordt gecompenseerd door de instroom vanuit de categorie van 25 – 35 jaar.

Met andere woorden; een krimp van de leeftijdscategorie 35 – 45 jaar is de belangrijkste oorzaak van het kleiner worden van onze beroepsbevolking in de komende 10 jaar. Als ik kijk naar de participatiegraad van deze categorie (83,3%) ten opzichte van de participatiegraad van de leeftijdscategorie 45 – 55 jaar (78,7%) dan is ook een mogelijke remedie direct duidelijk: probeer de participatiegraad van de 45- tot 55-jarigen te verhogen. Tenslotte is de omvang van deze leeftijdsgroep ook nog eens erg groot.

De remedie is misschien duidelijk; of het ook mogelijk is om de participatiegraad te verhogen is een volstrekt andere vraag. En eentje waar ik eerlijk gezegd onvoldoende zicht op heb. Verder is er natuurlijk de verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd; maar ik vraag me af of dat veel zoden aan de dijk gaat zetten. De participatiegraad van de oudste leeftijdsgroep is slechts 47,9%, waarbij met name in de leeftijd boven de 60 jaar de participatiegraad zeer sterk afneemt.

Conclusie
Op basis van deze cijfers lijkt mij dat onze beroepsbevolking in de komende 10 jaar niet significant gaat krimpen. Sterker nog, de beroepsbevolking kan mogelijk op hetzelfde niveau worden gehouden. Die gillende krapte op de arbeidsmarkt door de exodus van babyboomers lijkt op basis van deze cijfers in ieder geval niet bewaarheid te worden. De leeftijdsopbouw van de beroepsbevolking is wel duidelijk aan het veranderen en daar zal zeker rekening mee moeten worden gehouden.

Als we een groei van onze economie zouden vertalen in extra arbeidsplaatsen dan is er natuurlijk wel sprake van een toenemend probleem. De vraag is echter gerechtvaardigd of onze economie in de komende 10 jaar een groei zal doormaken. In bepaalde sectoren (Zorg) zal dat zeker het geval zijn, maar een verplaatsing van arbeidsplaatsen naar lage(re) lonen landen zal niet afnemen. Zeker niet bij een gemiddelde oudere (en duurdere) werknemer.

Afijn, het is allemaal natuurlijk veel complexer dan op basis van wat cijfertjes kan worden berekend; maar de onheilsprofeten lijken wederom ten onrechte het einde van de wereld te hebben voorspeld.

Geef een antwoord

27 Comments
  • Maria
    says:

    @Marc. Bij digitale communicatie heeft je gesprekspartner altijd een vierkantig hoofd…
    Ik citeer even uit je eigen werk: ‘Omdat Nederland al een zeer hoge participatiegraad kent, heb ik voor de periode 2010 – 2002 aangenomen dat de participatiegraad zich niet wijzigt’. Volgens mij zeg je daar toch dat de beroepsbevolking in aantallen niet/nauwelijks zal wijzigen.
    Kijk vervolgens eens naar deze gegevens van het CBS:
    De groei van de werkgelegenheid was de afgelopen jaren het grootst bij de grote deeltijdbanen van 20 tot 35 uur per week. Hierdoor stijgt het aandeel deeltijdwerkers nog steeds. Het aantal kleine deeltijdbanen met een arbeidsduur van 12 tot 20 uur was de laatste jaren stabiel. Waar het aantal deeltijdwerkers nog steeds toeneemt, is bij de voltijdwerkers sinds 2009 een daling zichtbaar.

    Werkzame beroepsbevolking naar arbeidsduur

  • Dolf
    says:

    “probeer de participatiegraad van de 45- tot 55-jarigen te verhogen. Tenslotte is de omvang van deze leeftijdsgroep ook nog eens erg groot.”    Lijkt me  een uitdaging. Zelf ben ik tussen mijn 50-55ste nog een paar keer geswitched. Maar daar in ben ik blijkbaar een uitzondering. ik ken veel hoog gekwalificeerde en enorm gemotiveerde 50 (45!) plussers die onder de bottomline onbemiddelbaar zijn op basis van leeftijd. Zonde.

  • Arno Bouwens
    says:

    Nederlandse vrouwen werken 2x zoveel in deeltijd als andere Europese vrouwen. Zelfs vrouwen die ‘jong’ zijn (voordat ze kinderen krijgen) werken al structureel minder dan mannen.
    Ben het eens met Marc dat het credo  je werkt om te leven populair is maar in de toekomst wel eens een illusie kan blijken. Als de man minder gaat werken (gedeelde zorg) zal de vrouw meer moeten gaan werken.

    • maria
      says:

      Marc geeft in zijn artikel aan dat de beroepsbevolking in de komende 10 jaar nagenoeg niet afneemt en dat er dus waarschijnlijk helemaal geen arbeidskrapte gaat ontstaan. Wat ik aangeef is dat je dat niet zondermeer kunt stellen op basis van aantallen. Dat de omvang van die arbeidsparticipatie mede beïnvloed wordt door andere factoren en dat hij daar geen onderzoek naar gedaan heeft. Zo heeft de invoer van de 36-urige werkweek in een aantal sectoren in de afgelopen 15 jaren (om tot bredere verdeling van arbeid en dus inkomen te komen) een effect gehad. Vaak werd de keuze gegeven: 10% minder werken tegen hetzelfde loon of behoud van het aantal uren dus hoger loon. In 95% van de gevallen werd gekozen voor méér vrije tijd. Dus inkomen is niet zaligmakend. Vrije tijd is ook aantrekkelijk. En in toenemende mate blijven vrouwen part-time werken maar gaan mannen ook part-time werken (1,5 inkomen is nog altijd meer dan 1 full-time inkomen). Of dat betaalbaar blijft is een heel andere discussie.

      • Marc Drees
        says:

        1,5 inkomen is meer dan 1 full-time inkomen. Daar zijn vast nog wel wat kanttekeningen bij te maken; maar de belangrijkste constatering is dat 1,5 inkomen dan ook een anderhalve werkweek betekent terwijl 1 inkomen 1 werkweek is. Mutatis mutandis: een hogere participatiegraad…

        • Maria
          says:

          Het hoofd nog niet onder de kraan gestoken vanochtend? In je oorspronkelijke artikel stel je dat arbeidskrapte de komende 10 jaar wel mee zal vallen. Je onderbouwt dat met beroepsbevolking gegevens van het CBS in aantallen. Voor zover mij bekend is 1,5 niet gelijk aan 2. Dat levert 0,5 vacatureruimte op. En als de totale beroepsbevolking massaal wat minder uren gaat werken kan dat een behoorlijke impact hebben op het al dan niet ontstaan van arbeidskrapte. Ik heb op de site van het CBS alleen nog een artikel kunnen vinden uit 1998. Op dat moment daalde de omvang van de participatie (dus niet aantallen beroepsbevolking) in Nederland met gemiddeld 1% per jaar (op dat moment een trent die al 25 jaar gestaag doorzette). Dat zou, aanvullend aan jouw berekeningen, over een periode van 10 jaar dus leiden tot 10% reductie aan arbeidspotentieel. De participatiegraad zegt op die manier bezien niets over de mate van participatie.

          • Marc Drees
            says:

            Als je van 1 naar 1,5 gaat is er dus een stijging van de feitelijke beroepsbevolking, niet een daling. Dat is wat mijn nog natte hoofd zegt. Er is geen enkele reden te veronderstellen dat op basis van de huidige beroepsbevolking er naar de toekomst toe een krimp van het totaal aantal werkbare uren zou gaan optreden. Eerder het tegenovergestelde, als we een prognose van het CPB mogen geloven. En gezien de prognoses van het CPB over de werkloosheid is dat overgens een gevaarlijke aanname…

  • Maria
    says:

    Dit arbeidsparticipatieverhaal is gebaseerd op aantallen. Volgens mij zou je, als je dit koppelt aan de vraag naar al dan niet ontstaan van arbeidskrapte, daarin ook de omvang van de participatie mee moeten nemen. Als veel full-timers plaatsmaken voor part-timers zou dat wel eens een significant verschil op kunnen leveren.

    • Marc Drees
      says:

      Dat zou zeker kunnen, maar dan zou je veronderstellen dat de nieuwe instroom tegen een gemiddeld lager aantal uren gaat werken in vergelijking met de uitstroom. Gezien de toenemende premies voor zorg en pensioenering lijkt me dat een optimistisch perspectief, maar misschien is het jongere deel van de beroepsbevolking content met een plaggenhut…
       
      Ik weet eerlijk gezegd niet of er een structurele verschuiving is naar meer part-time arbeid; in dat geval zou het me overigens niet verbazen als de participatiegraad navenant stijgt. Tenslotte moet ook in een plaggenhut de schoorsteen blijven roken.

      • maria
        says:

        Nee, niet content met een plaggenhut. Kwestie van gedeelde, gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het gezinsinkomen. En die verschuiving vindt voornamelijk plaats bij mensen jonger dan 45 dus daar telt het dubbel aan. Ik zou zeggen: zoek het eens uit.

  • Dolf Peeters
    says:

    Beste Bloggers,

    Voor mij als ‘buitenstaander’ in de branche – ik doe algemene zaken op een ingenieursbureau dat gespecialiseerd is in piping engineering en verzorg daar naast als redacteur/tekstschrijver artikelen in diverse bladen – is RM dagelijkse- en hoogst intgeressante kost geworden. En als 55 jarige jonge God met veel gevechtservaring en  gezonde ambities ben ik op persoonlijke gronden zeer nieuwsgierig naar de ontwikkelingen op het ‘after babyboomers’ vlak. Maar vooralsnog ziet het er dus naar uit dat ik me straks toch met mijn rollator zwaaiend een weg naar de top moet banen.

    Mijn complimenten voor de analyse ( en de comments)

    met vriendelijke groet,

    Dolf Peeters

  • Arno Bouwens
    says:

    Mooie analyse, maar zou daarbij een hele grote onzekerheidsfactor meerekenen omdat de BRIC landen steeds nadrukkelijker gaan concurreren op de wereldmarkt en dit wellicht – meer nog dan de participatie en vergrijzing – invloed gaat uitoefenen waar de dienst of het product wordt gerealiseerd.

    • Marc Drees
      says:

      Er is naar mijn mening geen enkele twijfel dat een deel van onze productiecapaciteit gaat vertrekken naar een of meerdere van de BRIC landen. En mogelijk ook een deel van onze kenniseconomie, hoewel we natuurlijk collectief vinden dat we veel slimmer zijn dan al die opkomende landen.
       
      Ik denk dan ook dat we over 10 jaar geen krapte op onze arbeidsmarkt zullen hebben maar eerder een overschot. Ook bij een gelijkblijvende of zelfs licht dalende participatiegraad. Maar dat is niet positief voor allerhande marktonderzoekers en intermediairs die om het hardst roepen dat er nu strategisch personeelsbeleid moeten worden gemaakt omdat bedrijven anders achter het krappe net vis. Tenzij diezelfde bedrijven natuurlijk deze marktonderzoekers en intermediairs inhuren.
       
      Net als bij de klimaatdiscussie is ook op dit vlak een combinatie van zorgvuldig gedoseerde angst in combinatie met selectief gebruik van cijfers een uitstekende basis om een gekleurde boodschap te brengen. What’s new?

  • Bas van de Haterd
    says:

    Hopelijk ten overvloede, bovenstaande is dus geen kritiek en ‘ik weet het beter’, ik zie alleen wel een heel groot verschil en ik kan er niet uithalen waar dat zou zitten. Ik heb de stukken nu allemaal 3 keer doorgelezen, ik zie dat we iets andere uitgangspunten gebruiken, maar dat het verschil zo groot is zou niet moeten kunnen. Ik ben benieuwd of jij ziet waar de verschillen zitten.

  • Bas van de Haterd
    says:

    Marc, leuk stuk. Zoals je ongetwijfeld nog weet heb ik, volgens mij ook hier nog op RM, maar dat stuk is even lastiger vindbaar, dus o.a. op M! (http://www.marketingfacts.nl/berichten/20081006_vergrijzing_de_harde_cijfers/) ook een analyse gemaakt.
    Ongetwijfeld zal je stellen dat mijn analyse voor geen meter klopt, want ik heb vooral gekeken naar het aantal mensen, inderdaad de participatie (veel van de instroom participeert namelijk al), een deel van de uitstroom is werkloos, maar ik kom op 4,62% (355.000) tot 2015.
    De berekening van 2015 – 2020 komt op een krimp van 7% uit: http://www.rectec.nl/2009/02/16/cijfers-over-vergrijzing/
    Dit komt doordat het aantal VUT’ers en Pre pensioeners niet meer telt zeg maar. Die zijn er immers als uit, maar die zouden 65 worden de komende jaren.
    Misschien dat het grote verschil (weet ik niet, vind de cijfers lastig vergelijkbaar) wel zit in het feit dat jij uit bent gegaan van de prognoses van de bevolking en in van het aantal geboren kinderen gecorrigeerd voor de gemiddelde sterfte voor het 18e jaar.
    Een ander groot verschil is dat ik zie dat je Eurostat participiatie gegevens gebruikt, ik ben benieuwd hoe die verhouden tot die van het CBS, want tussen Eurostat en CBS zitten ook nog wel eens verschillen.

    • Marc Drees
      says:

      Ik gebruik de netto participatiegraad van het CBS (2009) per leeftijdsband, dus daar zit zeker niet het verschil. Verder gebruik ik de bevolkingsprognose per jaar zoals door het CBS gepubliceerd; met een tweezijdige extrapolatie (vooruit op basis van cijfers 2010, achteruit op basis van cijfers van 2020) om hiermee een zo nauwkeurige benadering per jaar van de daadwerkelijke bevolking te hebben.  Dit moet voor alle factoren (sterfte, emigratie en immigratie) componseren.
       
      En dan heb ik nog de participatiegraad gelijk gehouden terwijl bij een groeiende economie er een goede kans op een toename van de participatiegraad is (grotere pull vanuit de arbeidsmarkt).
       
      Met andere woorden, hardere cijfers dan deze zijn er volgens mij niet. Als het CBS de waarheid is, dan is de ontwikkeling van de beroepsbevolking voor de komende tien jaar bepaald niet zorgwekkend. Althans, op basis van de wijze waarop ik de cijfers heb geanalyseerd. Maar eenieder die mijn spreadsheet wil controleren is hierbij van harte uitgenodigd.

      • Bas van de Haterd
        says:

        Ik was in verwarring omdat onder je plaatje staat: eurostat, niet CBS (met partcipicatiegraad). Ik weet dat Eurostat deze anders berekend dan CBS (heeft te maken met deeltijdbanen waar wij koning van zijn).
        Ik kan zo niet op basis van de verhalen zien waar de cijfers verschillend zouden zijn, maar zo’n groot verschil verbaasd me dus. Heb je wel rekening gehouden met het feit dat in de instroom nu ook al veel werkt? Daar ging ik eerste keer de fout in, dat in de categorie 15-25 ook al een behoorlijke participatie is die dus maar beperkt meer wordt.