Werkloosheid juni 2015 gedaald naar 8,8%

Nederlandse vlagAfgelopen week kwam het CBS met de werkloosheidscijfers over juni. Volgens de internationale definitie is de werkloosheid op 6,9% blijven staan, volgens de nationale definitie is de werkloosheid gedaald van 8,9% naar 8,8%. Eenieder die nu in grote verwarring is geraakt verwijs ik graag naar deze blog posting.

Overigens is het de tweede achtereenvolgende maand dat  de werkloosheid volgens de nationale definitie is gedaald. En dat is natuurlijk een goede zaak. Tegelijkertijd blijft de werkloosheid daarmee nog altijd op een bijzonder hoog niveau. En in vergelijking met een jaar geleden is de werkloosheid slechts met 0,1% gedaald…

Zo ziet de werkloosheidsontwikkeling voor de Nederlandse beroepsbevolking er uit:

Niet-gecorrigeerde (grijs) en gecorrigeerde werkloosheidspercentages, januari 2003 – juni 2015. Bron: CBS, nationale definitie

Niet-gecorrigeerde (grijs) en gecorrigeerde werkloosheidspercentages, januari 2003 – juni 2015. Bron: CBS, nationale definitie

Tja, kan ik van dit beeld iets positiefs maken? Natuurlijk is het zo dat we de piek (met een nooit in de krant gekomen werkloosheidscijfer van 9,5% in februari 2014 als ‘hoogtepunt’) alweer ruim achter de rug hebben, maar het tempo van de daling is bijzonder traag te noemen.

Het blijft prettig dat we in januari van dit jaar zijn overgestapt op de ILO-definitie van de werkloosheid. Want daardoor telt elk minuscuul baantje mee, ook al kan je daar op geen enkele manier van rondkomen. En volgens die ILO-definitie ziet de ontwikkeling van het werkloosheidspercentage er veel gunstiger uit:

Niet-gecorrigeerde (grijs) en gecorrigeerde werkloosheidspercentages, januari 2003 – juni 2015. Bron: CBS, ILO

Niet-gecorrigeerde (grijs) en gecorrigeerde werkloosheidspercentages, januari 2003 – juni 2015. Bron: CBS, ILO

Dit ziet er een stuk prettiger uit. Hiermee kan je goede sier maken en kan je niet doen of al die tientallen miljoenen Euro’s ter ‘bestrijding van de werkloosheid’ enig nut hebben gehad. Correlatie is voldoende, causatie is niet van belang.

Als we naar de verdeling van de werkloosheid onder mannen en vrouwen kijken is er ook een opvallend verschil te zien tussen beide definities van de werkloosheid. Zo ziet de ontwikkeling van de werkloosheid voor beide geslachten eruit volgens de nationale definitie:

Werkloosheidpercentage (seizoensgecorrigeerd) naar geslacht, januari 2003 – juni 2015. Bron: CBS, nationale definitie

Werkloosheidpercentage (seizoensgecorrigeerd) naar geslacht, januari 2003 – juni 2015. Bron: CBS, nationale definitie

Een groot, gapend gat tussen de werkloosheidscijfers van beide geslachten waarbij het verschil ondertussen maar liefst 2,5% bedraagt.  En het werkloosheidscijfer onder vrouwen nog altijd meer dan 10% is.

Hoe anders ziet dit beeld eruit bij de werkloosheid volgens ILO:

Werkloosheidpercentage (seizoensgecorrigeerd) naar geslacht, januari 2003 – juni 2015. Bron: CBS, ILO

Werkloosheidpercentage (seizoensgecorrigeerd) naar geslacht, januari 2003 – juni 2015. Bron: CBS, ILO

Het verschil in werkloosheid tussen mannen en vrouwen blijft beperkt tot 0,6%  waarbij de ILO werkloosheid onder maar liefst 3% lager is dan onder de nationale definitie  (7,2% versus 10,2%), terwijl dat verschil voor mannen ‘slechts’ 1,2% bedraagt. Het grote verschil tussen beide werkloosheidsdefinities komt er vooral op neer dat vrouwen aanzienlijk meer minibanen (banen van minder dan 12 uur per week) invullen dan mannen.  Ik vraag me af of al die vrouwen op zoek waren naar minibanen, of naar ‘echte’ banen? Asscher mag het weten…

Als laatste nog even dit:

Aantal werklozen naar leeftijd, seizoensgecorrigeerd, januari 2003 – juni 2015. Bron: CBS, nationale definitie

Aantal werklozen per leeftijdsklasse, seizoensgecorrigeerd, januari 2003 – juni 2015. Bron: CBS, nationale definitie

Het aantal werklozen naar leeftijdsklasse laat zien dat het met de jongste leeftijdsgroep eigenlijk prima gaat. Het is nog wat aan de hoge kant, maar eigenlijk is er niet veel aan de hand. Daarentegen laten de oudere leeftijdsgroepen een fors ander beeld zien, waarbij de oudste leeftijdsgroep nog altijd wacht op een daling van het aantal werklozen. Voor werklozen van 45 jaar en ouder duurt de recessie onverminderd voort.

Dit beeld wordt misschien nog duidelijker door het aandeel per leeftijdsgroep in het aantal werklozen weer te geven:

Procentuele verdeling aantal werklozen naar leeftijdsklasse, januari 2003 – juni 2015. Bron: CBS, nationale definitie

Procentuele verdeling aantal werklozen naar leeftijdsklasse, januari 2003 – juni 2015. Bron: CBS, nationale definitie

Terwijl we met zijn alleen steeds langer moeten werken neemt het aandeel oudere werklozen vrijwel continu toe. Van 25 % in januari 2003 tot 41% in juni 2015. Een nogal schokkende ontwikkeling met akelige consequenties voor al die grijze duiven die tot hun 66e, 67e of nog langer geacht worden te blijven werken. Het is tegelijkertijd lachwekkend te beseffen dat er voor jongere werklozen ooit een (overigens volstrekt overbodige) ambassadeur Aanpak Jeugdwerkloosheid is geweest. Op basis van deze grafiek valt dat op geen enkele manier te verantwoorden. En ondertussen zit een alsmaar groeiend leger oudere werklozen met smart te wachten op z’n ambassadeur.

Geef een antwoord

1 Comment