Het gebruik van de term data subject draagt een sterke connotatie van passiviteit, objectivering en een asymmetrische machtsverhouding in zich. Hoewel de term binnen de privacywetgeving formeel is verankerd om de drager van rechten aan te duiden, roept de taalkundige en filosofische lading van het woord subject specifieke gevoelens op:
Taalkundig positioneert de term de mens als een lijdend voorwerp. Een data subject is in de praktijk niet een actieve regisseur van de eigen gegevens, maar een passief object waarop verwerking, profilering of analyse wordt toegepast — vaak zonder dat het individu hiervan op de hoogte is of hier invloed op uitoefent. Het woord subject stamt af van het Latijnse subicere (onderwerpen of eronder werpen). Deze oorsprong weerspiegelt de feitelijke machtsbalans in de digitale economie: de data controller (verwerkingsverantwoordelijke) beschikt over de infrastructuur, algoritmes en middelen, terwijl het data subject onderworpen is aan de verwerkingslogica van de externe partij.
De term reduceert een mens met menselijke waardigheid en morele autonomie tot een abstracte juridisch-technische eenheid in een datasysteem. Dit vergemakkelijkt een denkkader waarin de mens primair wordt geframed als een bron van ruwe grondstoffen (data-extractivisme) voor commerciële, bestuurlijke of surveillancedoeleinden. Wanneer data wordt verzameld of gebruikt zonder kennis van de persoon, benadrukt de term de kloof tussen de fysieke mens en diens ‘digitale dubbelganger’. De persoon heeft geen controle meer over de data, maar wordt door de verwerking van die data wel gecategoriseerd, beoordeeld of beïnvloed. De juridische abstractie van het begrip data subject verhult zodoende de feitelijke inbreuk op de menselijke autonomie: het neutraliseert een situatie van machtsmisbruik of onvrijwillige data-extractie tot een schijnbaar neutrale, administratieve handeling.
En daarom ben ik van mening dat Carthago de term data subject verwoest moet worden.
